Pensioen

Advies over het pensioen, berekening en inning

De wettelijke pensioenleeftijd ligt in België op 65 jaar, maar je kan onder bepaalde voorwaarden vroeger met pensioen gaan. De berekening van je pensioenbedrag gebeurt doorgaans op basis van je inkomsten, de duur van je loopbaan, de loopbaanbreuk en de gelijkgestelde periodes van inactiviteit. Het wordt indien nodig aangevuld tot het minimumpensioen voor je arbeidsstatuut. Elk stelsel biedt bovendien specifieke aanvullingen en pensioenvoordelen op het wettelijk pensioen.

Vervroegd met pensioen

In bepaalde omstandigheden is het mogelijk om vroeger dan de wettelijke pensioenleeftijd van 65 jaar op pensioen te gaan. Dit is bijvoorbeeld mogelijk vanaf 60 jaar, als je aan de vereiste leeftijds- en loopbaanvoorwaarden voldoet. Vanaf 2016 heb je zo recht op pensioen wanneer je 62 jaar oud bent en een loopbaan van 40 jaar achter de rug hebt. 

Er bestaan ook regelingen waarmee je nog vroeger met pensioen gaat. Wanneer je echtgeno(o)t(e) overlijdt en je bent minstens 45 jaar oud, kom je in aanmerking voor een overlevingspensioen. Je pensioenrechten worden dan afgeleid uit de loopbaan van de overledene.

Word je op latere leeftijd door je werkgever ontslagen? Als je aan de vereiste leeftijds- en anciënniteitsvoorwaarden voldoet, heb je recht op het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag (het vroegere brugpensioen). Je werkloosheidsuitkering wordt verder aangevuld met minstens de helft van het verschil tussen je nettoreferteloon en de werkloosheidsuitkering. Als je gezinsinkomen na het ontslag te laag wordt om je kinderen te onderhouden, ontvang je na 6 maanden een toeslag op de kinderbijslag. 

Wettelijk pensioen

De meeste mensen vallen bij hun pensionering terug op een rustpensioen. Dit bedrag wordt berekend op basis van de eigen loopbaan. Je pensioeninstelling kijkt dan naar de duur van je loopbaan, je inkomsten, je loopbaanbreuk en de gelijkgestelde periodes van inactiviteit. Bij ambtenaren houdt men enkel rekening met de laatste 10 jaar in dienst bij de overheid.

Overlijdt je echtgenoot, dan heb je, onder bepaalde voorwaarden, recht op een overlevingspensioen. Een overlevingspensioen wordt gebaseerd op de loopbaan van de overleden echtgenoot. Had de overledene een gemengde loopbaan, dan worden de pensioenrechten binnen elk statuut samengenomen. Wie te jong is voor een overlevingspensioen, heeft maximum 24 maanden recht op eenovergangsuitkering.

Aanvullend pensioen

Naast het wettelijk pensioen (1ste pijler), bestaat er ook een aanvullend pensioen (2de pijler). Dit aanvullend pensioen kan je opbouwen als je werkt als werknemer of als zelfstandige.

Biedt je werkgever of sector een aanvullend pensioenplan aan of heb je als zelfstandige een aanvullende overeenkomst afgesloten, dan komt het aanvullend pensioen extra bovenop je wettelijk pensioen.

Om een aanvullend pensioen op te bouwen, worden er bijdragen gestort aan een pensioeninstelling. Dit is een verzekeraar of pensioenfonds. Een aanvullend pensioen bij een verzekeraar wordt vaak een groepsverzekering genoemd.

Het aanvullend pensioen is een aanvulling op je wettelijk pensioen. Het wordt dus meestal uitbetaald als je met pensioen gaat of als je het moment bereikt dat je op wettelijk pensioen zou kunnen gaan.